06 222 81 871 : Voor multigetalenteerden, hoogbegaafden, sneldenkers en domvoelers

Jij bent toch zo slim?

 

 

Het was een avond als alle andere. Het was mooi weer, de sfeer was goed, er leek geen vuiltje aan de lucht. Tot ineens…. een huilend stemmetje jou roept, vanuit zijn bed: ‘Waarom kan ik niet alles mam?’

Het bleek dat een volwassene hem iets uitgelegd had om te doen, en het was hem blijkbaar niet gelukt om dit direct na te doen.
De druk werd opgevoerd, de stress werd hoger aan beide kanten en uiteindelijk kwam het eruit bij de volwassene, gefrustreerd:
‘Jij bent toch zo slim, waarom kun je het dan niet?’

Veel kinderen en volwassenen die, al dan niet openlijk, begaafd zijn, lopen vroeg of laat tegen deze frustratie bij anderen aan.
Het is de ander duidelijk dat jij snel iets begrijpt, dat je de uitleg heb doorgrond nog voordat hij is afgerond, dat er niet veel woorden aan jou vuilgemaakt hoeven te worden. Groot is echter hun verbazing als dan vervolgens blijkt dat jij, ondanks al je inzicht en motivatie, niet in staat blijkt om het geleerde te kunnen toepassen. Of in ieder geval niet sneller of net zo snel als anderen.

In schoolse taken kan dit blijken: de uitleg van de rekenles goed begrijpen maar dan de sommen niet kunnen maken. Bij sport en andere motorische toepassingen kan dit nog evidenter blijken: ondanks jouw goede inzicht in de theorie blijkt jouw lichaam net zo lastig te programmeren als dat van anderen. Of wellicht zelfs minder goed.

De frustratie van de volwassene wordt door jou opgevat als falen van jouw kant: je hebt de verwachtingen niet waargemaakt. Die van de ander niet, maar stiekem je eigen verwachtingen ook niet. 

Want hoe slimmer je bent, hoe beter je beseft wat je allemaal niet kunt en weet.

 

Een nieuw begin

‘Als je niet weet waar je moet beginnen, dan is elke plek goed’ stond er op 1 januari op de eerste pagina van mijn Omdenk-scheurkalender. Toepasselijker kon het niet, zo schreef ik in mijn afscheidsmail bij mijn laatste werkgever.

Na 10,5 jaar verliet ik hen.

In die tijd heb ik jarenlang gewerkt als productgroepmanager bij (toen nog) de Jeugdgezondheidszorg van de GGD Haaglanden, een organisatie waar ik nog steeds met veel warmte en respect aan terugdenk. Ik heb daar mogen werken met de meest bevlogen collega’s, met mensen die het verschil willen maken en dat ook doen. Mensen die soms nét een beetje anders zijn.  Maar zowel bij die bevlogenheid als dat anders zijn voelde ik me wel thuis.

Na een stevige burn-out (bevlogenheid brengt niet alleen maar positieve dingen met zich mee ?) kon ik aan de slag bij Leren en Ontwikkelen, waarna ik mij steeds meer heb gericht op organisatieadvies, creatieve project-technieken, trainen en trainingsacteren, en teamcoaching. Ik heb ook dat met plezier en geweldige collega’s gedaan.

De afgelopen tijd werd mij steeds duidelijker dat ik andere uitdagingen zoek. Na een sabbatical van enkele maanden heb ik daarom de knoop doorgehakt: ik ga iets anders doen. Het is me nog niet helemaal duidelijk hoe dat er uit moet gaan zien, maar dát… past me eigenlijk ook wel. Want als je niet weet waar je moet beginnen, dan is elke plek goed.

Ik wil iedereen met wie ik de afgelopen jaren heb samengewerkt heel erg hartelijk bedanken voor alles wat ik van jullie heb geleerd, waar we om hebben gelachen en gehuild, waar we ons aan hebben geërgerd en waarover we ons hebben verheugd. Ik heb contacten voor het leven opgedaan en dat is me heel dierbaar.

Het ga jullie goed!

 

Gelukkig was het een droom

Vannacht zat ik achter mijn bureau. Ik herken het bureau van vele jaren terug: het is het bureau waaraan ik zat bij één van mijn eerste banen, waar ik hoofd was van een uitvoerende organisatie.
Maar in plaats van in de grote open ruimte met gezellige drukte waar het toen stond, staat het nu in een kamertje, aan een blok van vier. Schuin tegenover mij zit de toenmalige directeur.
Het is een nog relatief jonge, vriendelijke, beetje stugge man, met weerbarstig blond haar. Recht tegenover mij zit mijn toenmalige jonge collega waarvan ik altijd het gevoel had dat ze ja zei maar nee dacht. De dame naast mij is hard aan het werk; zij komt mij niet bekend voor. Die is vast van na mijn tijd.

De directeur vertelt gesticulerend, met die lange armen, hoe fijn hij het vindt dat ik weer bij hen ben komen werken. Ik pijnig mijn hersenen, maar kan mij niet herinneren dat ik gesolliciteerd heb of een vergelijkbaar gesprek heb gevoerd. Ik weet niet hoe het komt dat ik hier nu weer zit. Ik vraag mij af of ik het zelf wel zo leuk vind dat ik daar weer werk. Zij lijken echter oprecht blij met me te zijn, zelfs de collega die volgens mij altijd iets anders bedoelt dan ze zegt.

Terwijl ik een luisterend gezicht trek en welwillend glimlach, realiseer ik me dat het maandag is.
De maandag waarop ik serieus voor mezelf zou gaan beginnen. Niet meer in dienst, niet meer dingen doen die volgens mij zinloos zijn maar toch uitgevoerd moeten worden omdat invloedrijke mensen blaten dat dat de juiste keuze is. Niet meer in de valkuil trappen om het dan toch maar te doen vanwege de lieve vrede en vervolgens zelf met een onbevredigd gevoel achterblijven. Dat zou ik niet meer doen.
Blijkbaar heb ik toch anders besloten, ook al kan ik me dat niet herinneren.

Ik kijk naar de directeur die tegen me blijft praten, met zijn stugge gezicht waar de blijdschap toch doorheen piept. Hij vertelt dat het niet meer zo is als het was, dat het nu beter georganiseerd is en er meer geluisterd wordt naar de uitvoerende organisatie. Het zal wel, denk ik. Ik heb in de jaren na deze organisatie altijd leiding gegeven aan uitvoerende organisaties. Ik hou namelijk van doen, van realiseren. 

 Maar altijd waren er beleidsmatige organisaties die de uitvoerende organisaties voorschreven hoe het werk gedaan moest worden.
Alsof de gast in het restaurant de kok vertelt hoe hij moet koken. Maar dan met gedwongen winkelnering.

Ik betrap mij erop dat ik in mijn hoofd al scenario’s aan het verzinnen ben hoe ik iedereen blij kan maken. Dat ik ook in de avonduren aan mijn eigen bedrijf kan werken, dat het toch wel fijn is als er gewoon een vast salaris binnenkomt, dat ik vast wel een manier vind om het allemaal te laten werken. Maar mijn hart is zwaar. En ik verval in mijn oude gewoonte: ik luister er niet naar. Ik vergeet

Mijn bureau is nog vrij leeg. Er is veel werk, maar niets dat niet in het laatste uurtje even snel weggewerkt kan worden. Er is in de kale grijze ruimte geen enkele uitdaging te vinden en ik ben blij dat het blijkbaar lunchtijd is.
Ik volg mijn collega’s langs smalle, draaiende goudgele trappen met rood fluwelen behang aan de muren. Eindeloos gaan die trappen naar beneden, tot we uitkomen bij een Indisch restaurant.

Herken jij dit?

Bekruipt jou ook wel eens het gevoel dat je misschien je werk wel goed doet, maar dat je niet het goede werk doet? Dat het niet bij jou past?

Hoe bewaak je jouw passie en emotionele gezondheid in je studie en werk? Welke waarden wil je aanhangen?

Ik eet geen Indisch; ik hou er niet van en ik ben voor veel ingrediënten allergisch. Ik bedenk dat ze dat nog hadden moeten weten en teleurgesteld voel ik de aandrang om weg te lopen, naar huis te gaan.
Maar net als ik me realiseer dat mijn jas en mijn tas nog helemaal bovenin het kantoor liggen, lopen mijn collega’s het restaurant voorbij naar een ruimte die erg lijkt op een bedrijfsrestaurant.
Ik haal opgelucht adem, pak een bord en loop naar de met glas afgezette units waar het eten uitgestald ligt. Tot mijn verbijstering is het eerste gerecht nasi. Angstig loop ik verder naar de tweede counter. Daarin liggen allerlei Indische vleesgerechten, naast kroepoek, mihoen en soepborden vol ketjap. Ik kijk om me heen: het hele restaurant ligt vol met Indisch eten: het thema van de dag.

Dit was het duwtje dat ik nodig had. Ik loop weg uit de ruimte, volg allerlei glazen roltrappen met blinkend metalen ornamenten en kom uit op een groot, licht plein. In het midden van het plein spuit een gigantische fontein, hoog en wijd. Het kantoorgebouw staat achter me. De zon schijnt. Ik merk verschrikt op dat ik bijna naakt ben: blijkbaar hangt niet alleen mijn jas boven op kantoor over de stoel. Ook andere kleren heb ik daar blijkbaar achtergelaten. Mijn tas staat daar bovendien ook nog.

Even twijfel ik: kan ik zo, bijna naakt, wel naar huis? Of zal ik toch met hangende pootjes terug gaan om mijn spullen te halen? Dat staat voor mijn gevoel gelijk aan berusten in deze kantoorbaan. Even ben ik besluiteloos. Dan begin ik te lopen, half naakt, bewust mijn spullen achterlatend. Als ik tevreden en trots de metro instap word ik wakker. Het is inderdaad maandag, 8 uur in de ochtend. Ik heb er zin in.